Over werkelijk zien.

Van oudsher was haiku niet een doel op zichzelf, maar zoals veel Japanse kunsten, een oefening in bewust-wording, een weg. Een weg zonder begin of einde; de plaats waarop we nu zijn is de oefening, is de weg. De 15e eeuwse dichter Ikkyu zei:"Als er geen einddoel is van de reis, kunnen wij niet verdwalen."
De zenmeesters uit de de 7e eeuw hadden ontdekt dat de tijd is samengesteld uit ultra-korte tijdsfragmenten. Deze werden nen genoemd. Nen waren dus gedachte-ogenblikken van zo'n flitsende kortheid, dat ze in de praktijk tijdloos genoemd konden worden.
Als mijn oog iets ontdekt in de buitenwereld, registreert het dat gedurende een eerste, onmeetbaar kort mini-ogenblik: de nen. Het registreert met een directe blik die zuiver intuïtief en wáárnemend is. Het registreert dat wat wordt gezien in een flits van diep inzicht.
Dit eerste mini-ogenblik van direct begrip, of inzicht in de Werkelijkheid, wordt onmiddellijk gevolgd door een tweede nen, en met dezelfde bliksemsnelheid door een derde nen.
Wat is er dan gebeurd?
De tweede nen is een flits van mentale reflectie, van het me bewust worden van mijn intuïtieve inzicht, de eerste nen.
Maar: in de derde nen wordt dit inzicht tot "mijn" inzicht, neem ik er bezit van. De beide voorgaande flitsen worden geïntegreerd in mijn voortdurende stroom van bewustzijn. Ze worden als het ware vermalen in dat gedeelte van de geest waar redeneren, labels opplakken, overwegen, kortom het egogevoel het overneemt. De gebeurtenis is nu deel geworden van mijn particuliere bewustzijn, het is je eigen gemaakt. Mijn "ik" begint te interpreteren, te rationaliseren, en logische conclusies te trekken uit de zojuist nog directe waarneming.
Zo wordt het directe, helder-ziende begrip van de eerste nen vervormd en gevangen gezet in woorden en begrippen. Deze overdenkingen, analyses en conclusies sneeuwballen verder tot de intuïtieve onthulling van de eerste nen volkomen is verdwenen.

Deze theorie van de oude zenmeesters heb ik vernomen van Frederick Franck, iemand die zen onderwijst via tekenen. En wáárom is het, dat ik dit vertel? Zoals Franck zijn leerlingen leert om te tekenen vanuit hun eerste nen, zo denk ik dat we ook kunnen leren haikulezen en -schrijven vanuit die eerste nen.
Het lijkt een obstakel dat we voor haiku woorden nodig hebben, woorden die altijd een afstand tot het object inhouden. In de haiku gaat het evenwel niet om die woorden, maar juist om datgene wat onbesproken blijft: de woorden zijn er alléén om te verwijzen. Daarom moeten de woorden wel zoveel mogelijk in harmonie zijn met de ervaring die we willen overbrengen.
Behalve voor wat er door het oog binnenkomt, geldt dit alles natuurlijk ook voor het omgaan met andere zintuigen. Het is ook de eerste nen van geur, de eerste nen van aanraken, de eerste nen van smaak, de eerste nen van klank. Kortom: het is een zintuigelijkheid die niet geconditioneerd is, een zintuigelijkheid die open is en daarom steeds nieuw en fris blijft, alsof we als een kind voor het eerst de wereld zien.

Gusta van Gulick.