DE ZENWEEK VAN EEN WIT KONIJN – 1981.

Vanuit de trein zie ik de volle maan boven Doetinchem hangen. Dat belooft wat.

De taxichauffeur heeft per mobilofoon in het Achterhoeks ongenoegen met een vrouw (de zijne?) aan de andere kant van de lijn. Ze kwettert kwaadaardig. Hij reageert slechts met “nee”.
Bij de afslag naar de abdij rijden we voorbij een jongeman met en Christuskop, drie plastic tasjes en een anti-kernbombutton op zijn duffeltje. Ik sluit hem onmiddellijk in het hart en in de taxi.
Aldus worden we stralend ingehaald door broeder Appeltoetje, die ons naar onze kamers brengt. Ik voel me meteen weer thuis.

Voor het avondeten handen drukken met de andere gasten. We zijn met negen, jong, oud, en tussenin. Gemompel van namen. De Christuskop heet Geert, zoals ik in de taxi al vernam.

Aan tafel moet ik toch even wennen aan de stilte. Vriendelijk doch zwijgend reiken we elkaar de kaas en de appelstroop en hanteert mijn buurvrouw de theepot. Ik heb de neiging overdreven te glimlachen.

Als we, na een konferentie van de Zen-pater, voor het eerst gaan zitten om te mediteren, hóór ik de spanningen die ik van huis heb meegebracht door mijn hoofd razen.
Wel ondervind ik het meteen als een weldaad weer met anderen te zitten.

Vast op hun zitvlak
tien ademende buiken
aan rechte ruggen.

Bij de vroege meditatie van de eerste dag draaf ik op het nippertje binnen. Iedereen zit al. Voor straf krijg ik koude voeten, geen tijd meer gehad om mijn dikke sokken aan te trekken.

Gedurende de dag wissel ik mijn halve lotus af met een soort Japanse zit, geknield met de voeten naar achteren aan weerszijden van het kussen.

Regen op het dak;
Zen-studenten op de vloer
slikken soms hoorbaar.

’t Is goed dat mijn houding weer eens gekorrigeerd wordt, een mens (dit mens!) is geneigd te gemakkelijk voor zichzelf te zijn. Het is belangrijk met rechte rug en ontspannen schouders te zitten, het zwaartepunt in de hara, je buik. Zo zit je stabiel, “als een berg”. De ademhaling, die je in de Zen-meditatie ondervindt als synthese van binnen- en buitenwereld, kan dan onbelemmerd doorstromen: je bent in een gunstige toestand om je geest net zo stil te laten worden als je lichaam, en gedachten die opkomen terzijde te leggen als onbelangrijk voor dit moment. Zo komt er ruimte voor de manifestatie van het wezenlijke in en buiten jezelf. Je kunt je laten vullen met de realisatie van de realiteit. Hier in het klooster noemen ze dat God, in het Oosten Brahman of Boeddhanatuur of hoe dan ook, what’s in a name. De Weg, de Waarheid en het Leven, daar komt het eigenlijk overal op neer.

Na het middagmaal gaan monniken en gasten de keuken in en hebben in een mum de afwas geklaard.
En dan, hè hè, is er 1½ uur recreatie. Even naar buiten!

De modderschoenen
die daar gaan over het pad
het zijn de mijne.

Wandelend over een bosweitje tref ik een grote bruine haas met een witte bef aan. Hij ligt prinsheerlijk in het zonnetje. Als je dichterbij zou kunnen komen zonder hem te storen zou je hem oren spinnen.

Wat hoor ik daar, in diesen heil’gen Hallen? Na het avondmaal is er beneden gelach en gepraat! In een kring lopen de monniken door de lange gang heen en weer, een bewegende kring van waaierende gewaden, ringe ringe reie.
God is Spel zoals Hij Zijn is, las ik eens.

Potplant bij het kruis;
ach, ook Hij weet dat ’s winters
de bloemen duur zijn.

Tijdens de middagmaaltijd wordt voorgelezen. Gisteren hoorden we een maatschappij-betrokken stuk, dat handelde over de paters Jezuieten die in Zuid-Amerika de arme en onderdrukte bevolking steunen en daarmee in konflikt komen met de rechtse autoriteiten en, onbegrijpelijk (voor mij althans!) ook met de paus.
Gisteren daarentegen kreeg ik van binnen, geheel onterecht, de slappe lach. Uitvoerig werden we ingelicht omtrent de lijdensweg en het langdurig sterfproces van Teresa van Avila, van welk laatste gebeuren van Hogerhand toch nog bijtijds werd afgezien. Mijn moeder zou dit ook geen tafelgesprek vinden. Omdat eten tenslotte ook een ernstige aangelegenheid is, besloot ik verder te luisteren zoals thuis soms naar de radio, niet dus.
Vandaag the continuing story: het gaat nu gelukkig steeds beter met Teresa, maar ik heb het geluid toch maar afgezet en me aanmijn snijboontje gewijd. In elk geval is het eten hier zalig.

Kin-hin gaat lekker. Sinds ik niet meer met anderen mediteer heb ik het niet meer gedaan. Thuis ontbreekt de ruimte.

Beneden mij gaan
twee schapenwollen sokken
in gestage tred.

Gedachten “als wolken die voorbijgaan”? Had je gedroomd. Mijn gedachten zijn als kaatseballen. Graag spelertje met woorden en bedenksels laat ik dat alles rondstuiteren in mijn kop, tot het in een volgorde ligt waar ik greep op denk te hebben. Ik ben met maar al te bewust hoe ik zo blijf steken in symbolen en plaats van me bezig te houden met de werkelijkheid van het hier en nu, en toch kan ik het niet laten.
In “Zen” van Anne Bancroft staat: “Door voor iedere situatie de juiste woorden te gebruiken kunnen we het hele leven doorleven zonder ooit iets direkt te ervaren.”
Zonder woorden is onze groep een goede groep, het is duidelijk dat we elkaar aardig vinden. Ik denk – o, ik blijf maar denken… aan een liedje van Yves Duteil: “Ce sont les choses qu’on ne dit pas, parce que les mots, les mots n’existent pas.”

Vogelgekwetter,
stemmen uit de boerderij
stilte van zazen.

Door het leven hier, ontdaan van overbodigheden, gaan je zintuigen steeds helderder registreren en genieten van al wat er gaande is :

Hoe de kleuren van de glas-in-lood ramen in de refter gaan gloeien als de zon erdoor schijnt.

Kijken naar de monnik die de bel luidt. Het ritme meevoelen.

Het perspektief van het bospad onder de poort van de boerderij door.

In de kloostertuin
klokgelui en dikke druppels
op mijn paraplu.

Na meditatie langs de keuken lopen en goede geuren snuiven.

Geert, die me toefluistert als we onze jas staan aan te trekken om naar de Zenzolder te gaan: “Gezellig he!” (Dat woord was nog niet bij me opgekomen!)

Het zwak verlichte zolderraampje als ik het licht heb uitgedaan en in bed wip.

Soms ineens de lucht van het stoken van het hout, waar ze dezer dagen de c.v. op laten branden.

Bijna onderuit!
diepe sporen in het pad
zijn hard bevoren.

Het luid gezang van iemand die beneden de koeien verzorgt, terwijl wij op de Zen-zolder in de konferentie bezig zijn met de verschillende lagen in de persoonlijke struktuur van de mens.

Iedere dag schone en gestreken (!) theedoeken bij de afwas.

Mijn koude neus warmen boven een bord kruidig geurende soep.

Met de groep rustig bijeen zitten theedrinken, bladerend in een boek of zomaar wat starend, zonder een woord.

De koekjes in het trommeltje heten “Toemaar”. Dat mag gerust gezegd worden: na de thee komt de zwaarste ruk aan meditaties.

Een boek in de leeskamer heet “Stille muziek”. Dat doet me denken aan mijn jeugd, toen ik haiku-achtige indrukken opschreef en die “Stille feesten” noemde.

Niet “goeiemorrege, goeiemorrege, goeiemorrege” hoeven zeggen.

Heel aandachtig de hoek maken bij kin-hin.

Achter mijn neus aan
de vloer laten afrollen
onder mijn zolen.

Al in de kapel zitten, en van ver over de gangen het geruis van wapperende priestergewaden in rijen van twee horen naderen.

De eerste slok koffie na de moeiten van het vroege opstaan in de kou, de eerste meditiatie, de zit in de ochtenddienst.

Het licht dat door de romaanse bogen van de kerkramen valt en dat gotisch op de vloertegels ligt.

Tussen de bezigheden door op de landwegjes of in de tuin een in zichzelf gekeerd mens zien lopen. Daar toch bijhoren.

Een landbouwwerktuig!
de kontemplatieve mens
springt haastig opzij.

Eten.

Opstaan in het donker bij Gregoriaanse achtergrondmuziek uit de kapel.

De bevrijdende lach van de groep, als bij de evaluatie op de laatste ochtend Nico binnenkomt en van ganser harte roept: “Goedemórgen!”

Kijk eens aan, daar midden op het grasveld stappen ingetogen de vader en de moeders van de omeletten die we gisteren bij de boterham kregen. Aan mij zal het niet liggen, maar ze raken onverwacht jachterig en tokkerig, en verdwijnen achter elkaar het bos in, op eentje na, die er de noodzaak ook niet zo van in lijkt te zien. Na enig overwegen kiest ze toch maar eieren voor haar geld en gaat er achteraan.

Steeds denk ik dat ik best eens een kerkdienst mag missen, maar steeds zit ik er weer. Het boeit me op een losse manier. Wel moet ik bekennen, dat er soms een bloknootje op mijn schoot ligt. De woorden die ik hoor zijn me meestal vreemd, en dat moet ook maar zo blijven. Het plezierige is, dat ze altijd gezongen worden, behalve bij de voorlezingen, maar zelfs dan klinken de stembuigingen van de monnik als muziek door de stenen ruimte. Eigenlijk ga ik, daar zittend, gewoon door met mediteren.
Soms denk ik aan H., die hier vorig jaar was en me vertelde dat ze de gaatjes in de opgeklapte stoelzittingen zat te tellen. Ik kijk er ook naar, ze zijn in de vorm van een 5-puntige ster, maar hoeveel het er zijn weet ik nog niet. Laat de gaatjes voorlopig maar de gaatjes.

Dwars in de kerkbank
prevelt een kindje woordjes
uit zijn prentenboek.

Dit is werkelijk behoorlijk zwaar.
Voor de eerste meditatie vandaag hoorde ik een jongman bescheiden zijn nood klagen tegen een van de anderen: overal pijn, rug, heupen, benen… Zou hij hier doorheen moeten, of moest hij zich ontzien? De aangesprokene raadde aan het met de pater op te nemen. Ik hield me er buiten maar tijdens de meditatie bleef me dwars zitten dat ik hem niet had gezegd halverwege het zitten van houding te veranderen. Dat kan best zonder de anderen te storen. Ik zeg het hem na afloop. We staan plotseling met enkelen in een kringetje en praten erover. Zachtjes! Zoals ik wel verwachtte had de pater “doorzetten” gezegd. Ik vond toch dat ik moest waarschuwen het niet te gek te maken. Doorzetten ja, maar ook luisteren naar je lijf.

Kreunen de balken
de beesten beneden
of onze botten?

Vanmiddag tijdens de vespers schrokken mijn door Gregoriaanse schoonheid bevangen oren plots op bij het horen van de tekst: “die stierenbende, dan koeienvolk” die in volmaakte monodie door de kapel klonk. Het hoe en waarom van dit sonoor gescheld ontging me totaal: dat heb je ervan als je niet luistert. Achteraf denk ik dat het een tekst uit de psalmen is, daar kan het er vaak driftig aan toe gaan. Niemand lachte.

Ik raak gehecht aan mijn achterbankje in de kapel Als er al iemand anders zit ben ik teleurgesteld. Zeer on-christelijk. En zeer on-Zen natuurlijk.

Bij de vroege zazen
af en toe het knorren
van een lege maag.

Allemensen wat is het koud vanmorgen. ’s Nachts vriest het nog behoorlijk.
Van mediteren wordt je warm, dat lees je altijd en het klopt, maar in het klooster en vooral in de kapel blijf ik met al mijn truien aan nog niet op temperatuur. En je kunt er niet eens tegen iemand over zeuren. Maar goed ook natuurlijk. Als je er over gaat zeuren leg je het vast en wordt het pas echt erg.
Bij het ontbijt schenkt de oudste van de groep me nog eens koffie in en fluistert moederlijk: “Word je warm van”. Zeker. Ik word het ook van haar.

Nog maar een keer is een meditatie me te zwaar gevallen. Het was aan het eind van de middag. Mijn rechterbeen viel in slaap.Er wat mee heen en weer wriemelen mocht niet baten, steeds meer leek het een hinderlijke uitwas te worden. Ik werd van binnen helemaal kwaad, alsof ik wel op wou staan en tegen de monnik roepen: “Hé zeg, zo is het wel genoeg hè!” Natuurlijk bleef ik zitten.
Na afloop steels mijn horloge raadplegend zag ik dat we haast 40 minuten gezeten hadden.
Verder denk ik niet aan tijd. Mediteren is hard werk.

Storm over het dak,
en – wij – maar – doorgaan
met ademhalen.

De graansilo’s werden gevuld tijdens de middagmeditatie. Enorme herrie!

Nog steeds geen kerkdienst gemist. Het lijkt een beetje of ik een record wil halen maar zo is het niet. Voor mij is het meditatie, oefening. Er is een boek van von Dürckheim: “Het dagelijks leven als oefening”. Hier dringt de betekenis van die titel pas goed tot me door!

De kaatseballen worden wolliger en lichter, en ook de ruimte waarin ze zo luidruchtig rondsprongen.

Ik zou willen schrijven over de voorlezingen in de ochtenddienst waar mijn oren (toevallig?) naar hingen, maar mijn bed ligt nog als een hondenest, mij kamer is een rommeltje, ik moet nog naar de w.c. en over 5 minuten begint de eucharistie.
Niet te geloven hoe druk een mens het hier heeft.

Genoemde voorlezing handelde over de vraag, of we met al het hedendaags “opkomen voor jezelf” niet te ver kunnen gaan als daarmee de liefde voor onze medemens in het gedrang komt. 1 Corinthe 13, schreef mijn vader 30 jaar geleden al in mijn bijbeltje.

Een van de prettigste diensten vind ik de completen: het eindigt in het donker, met enkel nog de gloeiende spijkers boven het altaar en een klein licht op het Mariabeeldje hoog in een nis. Een van de mannen uit onze groep zingt alle gezangen mee, brommerig en vals.Het wordt er allemaal nog mooier door. In het donker verlaten de monniken de kapel De dag is dan voorbij.

Vandaag eindelijk eens serieus werkelijk aanwezig geweest bij de eucharistie-viering. Het Kyrie-eleison trilde me tot diep in de ziel. Dat moet zijn overgebracht naar C. die vandaag jarig is en in de zorgen zit om P. die zo ziek is.
Eigenlijk bevroedde ik al, dat je kunt bidden zonder “christelijk” te zijn, nu weet ik het zeker.

Diep in gedachten
hoor ik plots van flap flap flap
monnik in de bocht.

In the continuing story las de jonge pater met heldere stem over “een klapekster die aan de kloosterpoort belt”. Prompt luidt de bel door de gangen, iets wat toch niet geregeld te horen is. Broeder portier verlaat zijn bord en sloft derwaarts. Een zacht gelach vaart door de refter.
Of er een klapekster voor de poort stond vermeldt de historie verder niet.

Ik merk dat mijn scepsis aan het verdwijnen is. Mijn oren blijken steeds meer bereid de woorden van de voorlezingen te vangen en mijn geest meer bereid ze te overwegen, terwijl ik eerst alleen de muziek ervan maar hoorde. Het wordt me steeds duidelijker dat er een onmiskenbaar verband is tussen Zen en Christendom. Oude waarheden worden van stof ontdaan en in een nieuw licht geplaatst. “Zie, ik maak alle dingen nieuw”.
Pater Tholens, die hier vroeger abt is geweest, zei in een interview, wijzend naar een Boeddhabeeld waar een tekening van de gekruisigde Christus boven hing: “Misschien zijn ze wel een-en-dezelfde”.

Stilstaan en kijken
hoe een berijpt beukeblad
smelt in mijn handpalm.

Die stierenbende en dat koeienvolk, ik lach er niet meer om. Dat ik dat niet eerder heb begrepen: het woont in mij, het zijn de kaatseballen, het is mijn onrust, het is alles wat me afhoudt van het vinden van mijn oergrond. Hoe weinig was ik de laatste tijd bezig met de uitspraak van Zen-meester Ummon:
“In walking, just walk
in sitting, just sit,
above all, don’t wobble”.
Nu, ik wobbelde bij het leven.
Geen wonder als je bezeten bent van een hele veestapel!
In elk geval wordt me hier een goede stok aangereikt om de kudde te verjagen.

Tegenover mij
zit mijn schaduw gebroken
in het middaglicht.

Bij de laatste middagmeditatie, die ik steeds als de moeilijkste ondervind, word ik van binnen weer goed kwaad. De rand van mijn kussen snijdt me in de billen. Mijn nek krampt. Een spier in mijn lende en een in mijn been – is er eigenlijk nog iets goed aan mij – kwellen me zo, dat ik begin te denken aan opgeven. Mijn buurvrouw in de Zendo ontknoopte zich toch ook vanmiddag, en bleef rustig zitten met de gestrekte benen voor zich… Minstens kan ik even gaan verzitten… Een ander raad ik het aan maar zelf doe ik het niet… nou ja, de tijd moet al aardig opschieten… laten we eerlijk zijn: het is mijn eer te na.
Ga terug naar je adem, zeg ik tegen mezelf. Laat alles verdwijnen met de uitademing, uitademing… alleen de adem is er…
Mijn dalende blik blijft hangen bij een wit puntje in het groene tapijt. Dat wordt mijn redding. Het minuscule puntje dijt uit en wordt een wit en stralend zonnetje. De pijn valt weg, ik ben af van alle gedachten, alleen mijn adem bestaat en een zon die meeademt en die een met mij is.
Na korte tijd ebt de ervaring weg en klinkt de bel voor het einde van de meditatie.
Ik houd mezelf voor dat dit niet meer dan “makyo” is geweest. Makyo kan prettig, maar ook onaangenaam zijn. Ik heb dus geboft. Het kan betekenen dat je in een voorstadium van een verlichtingsmoment bent geweest. Je moet er vooral geen aandacht aan besteden en gewoon verder gaan. Ik had het dus zeker niet moeten noteren! Maar ik doe het lekker toch. Kennelijk gebeurt er iets, en dat geeft de burger moed.

Samen met een non
onder een parapluutje
op weg naar de thee.

Om 6 uur opgestaan. Voor de eerste meditatie wil ik nog wat profiteren van de weidse rust op het Achterhoekse land.
In de droge blaren van het eikenbos zit, naast een polletje sneeuwklokjes, -wat raar- een wit konijn. Stom stadsmens dat ik ben sta ik me af te vragen of dit een speling van de natuur is, een albino? Na elkander korte tijd vanuit een ooghoek bespied te hebben gaan we ieder ons weegs.

Morgenlicht van maart;
in het gras liggen plekken
berijpte blaadjes.

De dagen vliegen voorbij.
Aan het eind van de week voelen mijn benen zoals die van een prof-voetballer eruit zien.

Onder de poort door
in natte sporen springen
van reuze-schoenen.

Bij kin-hin vanmiddag besef ik ineens, dat het voorlopig voor het laatst is, dat ik naar de Zen-tuin kan kijken. Morgen naar huis! Dat stemt me even heel droevig, alsof me iets wordt afgenomen dat ik net gekregen heb.

De stille Zen-tuin;
aan de kant een houten hark
en twee sandalen.

Ik slaap als een blok. Bij de evaluatie hoor ik van anderen die alsmaar droomden, of heel kort of heel licht sliepen. Alleen de laatste avond kom ik niet direct in slaap, omdat alles anders is gegaan dan andere avonden.
Henk vroeg vanmiddag aan de pater die ons voorzat, of er na de completen nog een keer gemediteerd mocht worden, omdat het de laatste avond was. Henk was me al eerder opgevallen: hij gaat op twee solide benen door de dagen, straalt iets onaantastbaars en tegelijkertijd vertrouwenwekkends uit, is kennelijk zeer zichzelf. Later hoor ik, dat hij al 10 jaar intensief aan Zen doet.
Ja hoor, we mogen vanavond gerust van de Zendo gebruik maken. Zo gevalt het, dat we om half tien daar met z’n drieën zitten; de anderen zijn gebroken, zoals ik verneem bij voorzichtig informeren. “25 minuten zitten, 10 minuten kin-hin, 25 minuten zitten, oké?” zegt Henk. Oké.
Bij het laatste rondje zitten valt het licht uit, zodat we in het aardedonker de Zendo verlaten.

Deze laatste ochtend vroeg naar buiten om te zien of het raadselachtige konijn bereid is zich nog eens te vertonen. Nee. Het polletje sneeuwklokjes wel. Als ik de Zendo in wil gaan en nog even omkijk zie ik hem ineens onschuldig rondkeutelen bij de boerderij. Broeder Konijn speelt af en toe voor wild konijn! Ook Hij is Spel zoals Hij Zijn is.

De poort in de klink;
over de landerijen
een diepe stilte.

Bij de laatste eucharistie voor we naar huis gaan bedenk ik me, dat ik nog steeds niet weet hoeveel gaatjes er in de stoelzittingen zitten. De gaatjes zijn de gaatjes gebleven.

Na een week van stilte een evaluatie met veel gepraat. Wel leuk om iedereen nu eens te horen. Ik denk dat we makkelijk een hele dag hadden kunnen diskussieren, zoveel kwam er los.
Als toegift, samen reizend van Doetinchem naar Arnhem, nog een goed gesprek met Henk gehad.
Het rollend materieel van ons onvolprezen vervoerswezen brengt me tenslotte Den Haag binnen, waar ze de deuren een minuut voor de trein stilstaat al openen, alsof daar iets mee gewonnen wordt…
In de bus hebben een man en een vrouw achter me ruzie in welluidend Spaans: gelukkig nog slechter te verstaan dan Achterhoeks.

Dit keer een ander thuiskomen dan anders: gewoonlijk kom ik ongeveer dansend binnen, in-gelukkig weer op mijn dierbare plek terug te zijn. Nu loop ik wat verdwaasd rond te kijken – alsof ik even niet begrijp hoe het mens dat hier woont het klaarspeelt te leven tussen roerig stadsvolk, in kamers met meubels en apparaten die licht of geluid geven, met boeken en kranten die een bezig oog verwachten, terwijl een week lang een cel met een bed, een wastafel, een stoel en een bureau met een lamp erop die omstreeks 10 uur vanzelf uitging ruim voldoende was als basis voor aktiviteiten, die me dichter brachten bij het ervaren van de wezenlijke betekenis van alle dingen dan mogelijk was met alle rim-ram van het “normale” leven om me heen.
Als ik de buren heb geïnformeerd terug te zijn, de koffer heb uitgepakt, en de post bekeken zonder de enveloppen te openen, is het enige dat ik kan verzinnen mijn matje uit te rollen en te gaan zitten. Meteen golft er een verdriet door me heen, een heimwee naar de groep. Hoe ben ik me daaraan gaan hechten, en ja, hoe goed is het om dat los te laten.
Zitten op mijn eigen matje in mijn eigen huis, toch verbonden zijn met de monniken in Doetinchem en de groep die nu uiteen is gevallen, met de taxichauffeur en het Spaanse paar, met de ruisende bomen rond het klooster en het geroes van het stadsleven, met de zenuwlijers in de trein en met het gekke witte konijn.
Alles is Spel zoals het Zijn is.