Zen suite 18
Willibrordsabdij, ongedateerd.


De lucht breekt, bijna
zet ik voor plotse tranen
mijn paraplu op.


Alleen op pad -
de sleutel van de poort
puilt uit mijn jaszak.

De jonge monnik
knuffelend met het veulen
achter zijn hekje.


Lamplicht in mijn thee;
glans van de gouden waaier
op de witte muur.


Een lange dag lang
langs mijn neus zitten staren
bij vogelgetsjiep.


Avondmaalsstilte -
drie bruine boterhammen
en een beker thee.


Elke dag wijder
spreidt zich het wingerdblad
achter de ramen.


Aan de kloosterpoort
staat een bultige rugzak -
de laatste morgen.


Op zazenbenen
in de overvolle bus
in het gangpad staan.