Vuursteen, december 1982.

Poëzie en paardenmest.


“Haiku is die inspanning van de taal, om met zo weinig mogelijk woorden de aanwezigheid van de mens in het universum te vertalen. Eén observatie wordt omgezet tot de informatie, namelijk dat de mens deel is van de natuur, en dat dit goed is; dat niet de mens de maat is van de dingen, maar de natuur de maat van de mens.”
Een helderder definitie dan deze van Ton Lemaire in zijn boek: De filosofie van het landschap kan ik me moeilijk voorstellen.
Het is die geest van harmonisch deel uitmaken van de natuur, waardoor de liefhebber van haiku wordt bewogen.

Feit is, dat het Oosten van oudsher meer leeft met dit gevoel dan het Westen. Wij hier zijn geneigd ons ik te zien als een op zichzelf staand, van de rest van de wereld afgescheiden wezen, dat er zelfs niet voor terugdeinst zich tot maat van de dingen op te werpen.
Ander feit is, dat het ook in ons vertechnologiseerde Westen mogelijk is de werkelijkheidszin van die Oosterse levenshouding te beseffen en ermee te gaan werken.
Deze mentaliteit, gesublimeerd in Zen – de kern van het Zen-boeddhisme -, toegespitst op de ervaring van het volledig aanwezig-zijn in het hier en nu, heeft eeuwen lang het kulturele leven van Japan beďnvloed. Allerlei kunsten waren, en zijn, wegen die naar die ervaring leiden. Eén daarvan is haiku.

Het leren loslaten van de vermeende belangrijkheid van de eigen persoon betekent automatisch het in zijn waarde laten van de ander – en het andere.
Wil ik haiku schrijven, dan is het dus ongewenst de lezer op te schepen met mijn gedachten, oordeel of commentaar naar aanleiding van het gebeuren dat me heeft getroffen en dat ik vast wil leggen. Ik zou hem dwingen in mijn denkpatroon, en hem aldus verhinderen zijn heel eigen beleven te hebben.

Als ik de lezer wil suggereren hoe mooi of interessant mijn visie op het gebeuren is, ben ik minder bezig met haiku dan met mezelf. Onder diverse omstandigheden is daar niets op tegen, maar als ik pretendeer haiku te schrijven wel. Haiku vraagt de instelling van natuur als maat van de mens; natuur hier begrijpelijkerwijs in veel ruimere zin dan die van de velden en de vogeltjes, namelijk als volledige Schepping.
In dit verband wil ik zijdelings het misverstand noemen, als zou haiku over de natuur gaan. Nancy Wilson Ross zegt in The world of Zen heel vinnig: “Het moet gezegd worden, dat het gebruik van ki (seizoenwoorden) waarschijnlijk de oorzaak is van de bewering dat haiku zich meer bezig houdt met de natuur dan met de mens. Zo’n bewering is belachelijk. Haiku houdt zich bezig met menselijke emoties. Fenomenen uit de natuur worden gebruikt om menselijke emoties te weerspiegelen, maar dat is alles.
” Ter aanvulling zou ik willen zeggen, dat natuur en mens hier dus in perfecte eenheid opgaan in elkaar.
De kunst van haiku schrijven is nu, om de lezer zo zuiver mogelijk de bevrijdende ervaring door te geven die de schrijver ondervond en op papier wilde zetten. Ik denk hierbij graag aan Kyorai, leerling van Basho, die er vier klasseringen van haiku op na hield. De eerste was: “Ja, zo is het!”; de tweede: “Zo zal het wel zijn”; de derde: “Zou het zo zijn?” en de vierde: “Zo zal het wel niet zijn.”
Hoe bereiken we: “Ja, zo is het!”?
Van Tooren zegt in Haiku, een jonge maan: “Haiku wil niet mooi zijn, hij wil vol betekenis zijn.”
De woorden zouden dus in dienst van de betekenis moeten staan.
Springt dan ook nog de niet te omschrijven essentie van poëzie, de vonk, over van de schrijver naar de lezer, dan is er alle kans dat de “Ja, zo is het!”-haiku is ontstaan. Zo is er onopzettelijk poëzie, en zoveel te mooier.

In een typisch westers gedicht (laten we maar even generaliseren om het scherp te krijgen) leeft de lezer direct mee met de ervaringen van de dichter. Hij kan er zich in herkennen, of niet, er treurig of vrolijk van worden, of niet.
In haiku wordt geen omschreven treurigheid of vreugde aangereikt. De lezer zal die zelf moeten destilleren uit de suggestie die wordt opgeroepen door het concrete beeld hem voorgelegd door de schrijver. Daardoor zal hij in het beste geval geraakt worden in zijn authenticiteit: “Ja, zo is het!”
In plaats van een gesprek van mens tot mens is haiku één moment opperste harmonie van mens-universum-mens.

Klinkt dat mystiek? Och…het is tevens zo nuchter als mijn schoenzolen. Haiku laat de Waarheid zien door de gewone, alledaagse dingen heen. Daarom is het nooit elitair in de vervelende betekenis van het woord: geen geleerde diepzinnigheden of poëtische abstracties. De dingen zijn zoals ze zijn in klare taal.
In haar boek Zen schrijft Anne Bancroft: “De opvatting is, dat alles even heilig is, zelfs stromatten en paardenmest.” Even heilig of on-heilig dus; er is geen dualiteit.

De attente lezer zal er inmiddels niet van opkijken, dat auteur dezes weinig heil ziet in de hedendaagse neiging om elk 17-lettergrepig versje haiku te noemen; tenslotte zet men ook geen bos tulpen in een vaas en noemt het ikebana.
Wat mij betreft, getuigt het zelfs van, op zijn zachtst gezegd, onbescheidenheid tegenover een eeuwenoude sublieme cultuur, al weet ik dat het voor de meeste mensen voortkomt uit onbekendheid ermee. Gelukkig is onbekendheid met een beetje moeite en enthousiasme te veranderen in meer kennis en inzicht.
Natuurlijk, zo min als de Japanse dichters, zelfs de grootste, op constant hoog niveau haiku hebben gemaakt, zullen wij dat doen. Om te beginnen zullen we moeten oefenen, met alle bijbehorende ups en downs, en met alle wederzijdse kritiek en vooral zelfkritiek.
In Spel zonder snaren van Vos en Zürcher wordt gemeld over sommige haiku-schrijvers: “zij leerden slechts de huid en de haren van haiku, maar drongen niet tot het merg ervan door”.
De enkele 5-7-5 vorm is “huid en haren”, evenals bijvoorbeeld de onlogica om een voorbeeld te nemen aan de geest van verwestersing in Japanse haiku van nu. Het brengt niets nieuws in onze poëzie, laat ons alleen maar pronken met de nieuwe kleren van de keizer. De irritatie die langzamerhand ontstaat bij critici en doorgewinterde poëzieliefhebbers zou ons een waarschuwing moeten zijn…

Haiku – volkskunst in Japan, niet elitaire poëzie.
Volkskunst betekent echter niet: rommel maar wat-an, ’t is altijd goed.
In een interview met de Volkskrant zei onlangs Erica Dedinsky (dichter en vertaler, winnares Nijhoffprijs 1981, en grootgebracht in de volkskunst van Hongarije middels het beroemde Kodály-systeem) “Volkskunstenaars in alle culturen zijn altijd trots geweest op hun kunsten, en probeerden zo goed mogelijk voor den dag te komen. Het idee, dat als je alle jukken van je afgooit de creativiteit vanzelf gaat bloeien… niets is minder waar. Poëzie schrijven is gewoon ambacht, je moet er hard aan werken.”
Eraan werken, bereid zijn iets te leren: het is de enige manier waarop elke kunst, ook die van haiku, wérkelijk plezier en durende voldoening geeft.