Vuursteen, winter 1990.


Op zoek naar een tas.

          Al is het voor ons Nederlandse haikuschrijvers misschien een wat pijnlijke erkenning: de haiku heeft in ons land een twijfelachtige naam gekregen. Met het “haiku” verklaren van elk 3-regelig vers van 5-7-5 lettergrepen, en dat ook nog onder de titel “poëzie”, werd het misverstand geboren.
          Haiku is namelijk in wezen niet bedoeld als kunst of literatuur. Het is in de eerste plaats een weg, een weg naar vervolmaking, verlichting eventueel, maar dat doel is ook weer niet de opzet. Het “doel” is de weg zelf.
          Op die weg worden toevallig woorden gebruikt, zoals op de weg van het boogschieten pijl en boog worden gebruikt, bij de theeceremonie thee en kommen, bij het bloemschikken bloemen en takken etc. Zomin als men een bos tulpen in een vaas kan zetten en dat ikebana noemen, zomin kan men een willekeurig 3-regelig vers van 5-7-5 lettergrepen haiku noemen.
          Het door elkaar halen van die twee dingen is precies wat alle verwarring heeft veroorzaakt.

          Zodra we ons gaan verdiepen in de eerste belangrijke Japanse haikuschool, de school van Basho, stuiten we op de combinatie of de juxtapositie van twee elementen. De woorden worden in een dergelijke volgorde geplaatst dat een polariteit van krachten, zoals altijd in het universum aanwezig, wordt opgeroepen. Misschien kan op het punt waar zij elkaar ontmoeten de werkelijkheid, die aan woorden voorbijgaat, even gegrepen worden.

          Daarom is er in elke klassieke haiku een duidelijke tweedeling. Te noemen zijn fueki / ryuko, het niet-veranderende en het vliedende, voorbijgaande. Toho, een toegewijde leerling van Basho, schreef: “In de fuga (1) van de meester zijn het voortdurende van de 10.000 generaties (fueki) en de veranderingen van het ogenblik (ryuko). Alles in deze twee, en hun wortel is dezelfde.”
          Kyo / jitsu is een andere belangrijke tweeledigheid, waarbij kyo staat voor het vormloze, tijdloze, ruimte, leegte, het immateriële, en jitsu voor dat wat vorm heeft, het aktuele, konkrete, zich manifesterende. De dichter Teiko zei: “Kyo en jitsu zijn als de linker- en rechtervleugel van een vogel.”
          Een – vaak letterlijk – uitgesproken tweeledigheid is die met de kireji, de snijwoorden, waarvan de meest gebruikte ya en kana zijn. Ya vertegenwoordigt de harde, uitgaande kracht, en kana de zachte, samenbrengende kracht (vgl. yin en yang). Zoals de andere tweeledigheden zijn ya en kana dus verschillende uitingen van hetzelfde fenomeen.
          Zo streeft, ook in de rangschikking van regels en woorden, elke haiku naar zijn evenwicht. Als het perfekte evenwicht is bereikt heffen de krachten elkaar op tot het grote Mu, het grote Niets. Sangsara is Nirwana geworden (2), en andersom.

          Om de taal zo dicht mogelijk bij deze werkelijkheid te laten komen is het eigenlijke onderwerp van de haiku uit de school van Basho het seizoenwoord. Waarom dat? Omdat wij ons bevinden in een zonnestelsel waarin alle leven wordt gestuurd door de zon en de cyclus van de seizoenen. Het seizoenwoord stelt de natuur voor in zijn jaarlijkse kringloop. De mens maakt daar deel van uit, maar zijn belangrijkheid is niet groter dan die van alle dingen die ontstaan, even bestaan, en verdwijnen. In de Chinese en Japanse pentekeningen zien we de verhouding goed weergegeven: een miniem puntje mens, opgenomen in het geheel van het landschap, en daar volledig mee in harmonie. De natuur is de maat van de mens, en niet andersom.
          Het maken van een haiku houdt dus in, dat we doordringen tot de ware natuur van het seizoenwoord, en dat daarmee zijn functie in het grotere schema van de seizoenen duidelijk wordt,

          In verband met haiku valt vaak het woord “makoto”. Makoto betekent eenvoud, eerlijkheid, oorspronkelijke natuur. Het is het oneindige van het universum nú waargenomen in de essentie van een krekel, een kinderlach, een vlieger, een hap van een perzik, een regenbui.
          Het seizoenwoord op zijn meest makoto is hetzelfde als het makoto van de mens, van de mens zoals hij werkelijk is, ontdaan van zijn zorgen, wanen, frustraties en wat nog meer in de weg mag zitten.

          Basho leert, dat een haiku niet ontstaat uit gevoelens of uit waarnemingen van onze zintuigen maar vanuit onze makoto, onze kern, ons diepste punt waar het universele ligt. Natuurlijk kan dit niet bereikt worden zonder het gebruik van onderwerpen uit de wereld om ons heen, maar als we die hebben gezien, gehoord, geproefd, geroken, betast, moeten we ze als het ware kennen zonder de zintuigen. Terugkerend naar onze eigen kern, de wortel van ons bestaan, kunnen we de hokku (3) laten opkomen.

          Terugkomend op de misverstanden over haiku: kunst werd in Japan niet beoefend als “kunst om de kunst”, maar als middel om verlichting te bereiken. De oude Japanners zouden er niet over gedacht hebben zich een kunst eigen te maken zonder te komen tot iets diepers en fundamentelers: het beleven van spiritualiteit.
          We weten het: met de verwestering van Japan zette ook de nivellering van de haiku in, maar als er geen verschil meer is tussen een haiku en een westers puntdichtje – en dat is vaak zo – is het toch nauwelijks nog interessant te noemen ons daarmee bezig te houden? Onze literatuur verziet sinds eeuwen ruimschoots in korte gedichten. (J.C. van Schagen noemde zijn 5-7-5 gedichten uitdrukkelijk geen haiku!)

          Willen we als haikuschrijvers van ons negatief imago af, dan wordt het hoog tijd terug naar af te gaan, en de studie op te vatten om achter de werkelijke bedoelingen en achtergronden te komen. Het is een studie die een levenlang duurt, maar wat kan daar tegen zijn? Als iemand als Basho zichzelf en zijn leerlingen voortdurend voorhield “dat men altijd in een toestand van leergierigheid diende te zijn”, en “dat zelfs het koord van de tas van haiku nog niet was losgemaakt” – iets wat hij op het eind van zijn leven zei! – wie zijn wij, pas beginnende Nederlandse haikuschrijvers dan, dat wij ons te goed zouden voelen om zelfs maar op zoek te gaan naar die tas?
          De pelgrim die de moed heeft zijn of haar koffer met westerse ideeen en vooroordelen achter te laten, terug te keren tot de bron, en de “smalle weg naar het hoge noorden” in te slaan, wacht een tas vol kostbaarheden waar het hele verdere leven uit geput kan worden.

(1) Fuga: hier in de betekenis van “ware zelf”.
(2) Sangsara is de cirkel van geboorte en dood, Nirwana de bevrijding daaruit.
(3) Hokku is het oude woord voor haiku, en betekent letterlijk: vers (ku) dat oprijst, ontstaat.