Februari 1981. In Vuursteen, tijdschrift voor haiku, senryu en tanka, schrijft Gusta een reactie op een eerder verschenen artikel.


Natuurhaiku en Haikunatuur – een reaktie.


Na aandachtige lezing van het artikel “Natuurhaiku en Haikunatuur” van Cor Langedijk 1) besef ik tot dezelfde konklusie als de schrijver te zijn gekomen, nl. dat haiku niet noodzakelijkerwijs natuurgebonden hoeft te zijn, maar via overwegingen die in feite altijd al voor haiku hebben gegolden.
Als we haiku als een van de uitingen van zen zien, betekent het, dat we te maken hebben met het hier en nu, dus o.a. met de situatie van de “fabrieksschoorstenen en vliegtuigen” 2). En waarom zouden we daar geen goede haiku over kunnen schrijven?
Henderson zegt: “Strikt genomen gaat een haiku niet over de natuur in het algemeen; eerder over een momentane menselijke emotie” 3). Ons aller Basho moet volgens Yasuda gezegd hebben: “Er is niets dat niet met haiku gezegd kan worden” 4). Mijn gedachtengang nog even vervolgend: misschien heeft Langendijk het begrip natuur te letterlijk willen opvatten, inderdaad als een “geïsoleerd fenomeen” 5) zoals hij aanraadt het te beschouwen.
Afgezien ervan, dat in een zuivere haiku geen geïsoleerd fenomeen kan bestaan, daar het vers dan mank zou gaan aan dualisme dat we in haiku nu juist niet kennen, denk ik, dat hij voorbij is gegaan aan de mens zelf, die deel is van de natuur, even nietig of groots, om woorden van de schrijver zelf aan te halen, als elk deel van de natuur, maar daarin geïntegreerd en op zijn eigen plaats.
Als Langedijk stelt dat alles hier man-made, door mensen gemaakt is, moet ik betwijfelen of hij wel met beide benen op de grond staat! Wat denkt hij van de brave bloemenperkjes die onbekommerd in vervuilde Lekkerkerkse aarde gedijen, van de kwetterende mus drie-hoog achter, van de klimatologische omstandigheden, overstromingen en aardbevingen; wat denkt hij gewoon van zijn eigen leven en dood? Hoe vele haiku wijzen niet naar de vergankelijkheid…
Ik ben het met hem eens, dat de snoezigheid, die sommige haiku-schrijvers betrachten, niet getuigt van realiteitszin. Maar ik denkt dat schrijvers sombere visie dat evenmin doet.
Om ten slotte het in het artikel aangehaalde gedicht van Bloem nog even bij de kop te nemen 6): in die kop – het eerste kwatrijn – zou men een lichte spijt kunnen bespeuren over verdwenen natuur, maar verder ademt het harmonie en een waar zen-beleven. Juist dit gedicht bewijst dat eenheidservaren niet afhankelijk is van een ongerepte natuur, maar van de mate waarin de mens open is naar de wereld om hem heen.

1) Vuursteen, december 1980, blz. 10 – 13.
2) Idem: blz. 12: “… the way they include factory-chimneys and aeroplanes…”
3) H.G. Henderson, Haiku in English, 1967, blz. 49.
4) K. Yasuda, The Japanese Haiku, 1957, blz. 15.
5) Vuursteen, december 1980, blz. 13.
6) “En dan, wat is natuur nog in dit land”, J.C. Bloem