Inleiding bij “De theeketel”
Radijs-uitgave, 1999, Marginale Uitgeverij 't Hoge Woord.




De haiku is een van oorsprong Japans vers, een vers met een ander uitgangspunt dan in de westerse poëzie gebruikelijk is: in drie regels wordt de cyclus beschreven van ontstaan, bloei en verval zoals die zich manifesteert in de natuur, de menselijke inbegrepen.
Als beeld van die voortdurende beweging wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd seizoenwoord, een woord dat een kenmerkende activiteit oproept binnen een van de seizoenen.
Daarmee heeft de haiku twee onderwerpen: de stemming van het seizoen zelf en de momentane gebeurtenis die erin plaatsvindt. Die twee onderwerpen komen samen op één punt, verwijzend naar de stelling dat alles wat ontstaat en tot bloei komt ooit weer terugkeert naar zijn oorsprong.
De bedoeling is met zo weinig mogelijk woorden zo dicht mogelijk te komen bij een moment van inzicht in het boeiende spel dat we werkelijkheid noemen.