Een lezing in Branoul

Op 1 mei 1994 was er en “Zondichtmiddag” in Theater Branoul te Den Haag..
Gusta hield daar de volgende lezing:

De haiku.

Een haiku is een van oorsprong Japanse versvorm. Wat inhoud betreft is het de kortste opeenvolging van woorden gelijk aan één complete gedachte. Dat is dus iets anders dan wat wij hier in het Westen onder een gedicht verstaan. Gewoonlijk komen in onze gedichten meerdere, soms zeer verschillende, gedachten en beelden naar voren. De haiku daarentegen is op één punt gericht: er is eenpuntig gerichte aandacht. De haiku komt dan ook voort uit eenheidservaring, de meeste andere poëzie uit de gevoelens en gedachten van de schrijver-zelf. Je kunt haiku zien op één lijn met b.v. ikebana, of het Japanse boogschieten: ikebana gebruikt bloemen en takken en schalen om die eenheidservaring op te roepen, het boogschieten pijl en boog, en de haiku gebruikt taal. Het zijn verschillende wegen om hetzelfde te bereiken. Ons “l’art pour l’art ” (kunst om de kunst) heeft nooit bestaan in Japan.

Wat men in de 20e eeuw “haiku is gaan noemen, heette in het oude Japan “hokku”. Dat betekent letterlijk “vers dat oprijst”. Oprijst waaruit? Uit de kern van je wezen, en tegelijkertijd uit het wezen van alles om je heen. Dat samen levert die eenheidservaring op, volmaakte harmonie.

De hokku nu was het eerste vers, of z.g. kiemvers, van een lange reeks verzen, door een aantal dichters gemaakt. Een voorbeeld van de eerste drie verzen van zo’n reeks (in dit geval zijn het er in totaal 36, een z.g. kasen):

Over de stad
hangt drukkend de lucht;
de zomermaan.

Boncho

Wat is het warm, wat is het warm,
roept men van deur tot deur.

Basho

Het tweede onkruid
is nog niet gewied, en open
breekt al de rijstpluim.

Kyorai

Zo’n reeks verzen, vaak 100 stuks, noemde men een kettingvers of renga. Het eerste vers, de hokku dus, moest zo sterk zijn, zo samengebald, dat de verzen die volgden er a.h.w. uit konden ontspringen. De eer met de hokku te beginnen was weggelegd voor de oudste van het gezelschap, of voor de belangrijkste gast. Die gingen dus voor zo’n renga-bijeenkomst wat hokku schrijven en verzamelen, waardoor eigenlijk al de eerste haikubundels ontstonden.
In de 17e eeuw gebeurde het steeds vaker, dat de hokku zich losmaakte van de renga, en als zelfstandig vers zijn eigen weg ging. Die hokku nu werd omschreven als een vers dat alles bevatte: hemel en aarde, het komende en het gaande, lichaam en geest, eeuwigheid en vergankelijkheid, inademing en uitademing.
Van Tooren zegt in het Nederlandse standaardwerk over haiku “Een jonge maan” dat een haiku in principe in één ademtocht wordt uitgesproken. Een verbeelding hiervan vind je b.v. ook in de twee figuren die bij de ingang en de uitgang van sommige boeddhistische tempels staan: de een met geopende mond, de ander met gesloten mond, als symbool van al wat ademt, van het leven zelf dus.

In de praktijk komt het er op neer, dat een hokku een zintuiglijk waargenomen element bevat – en dat kan iets buitengewoon alledaags zijn – en bovendien het eeuwige element – dat net zo goed iets buitengewoon alledaags kan zijn. Ik geef een voorbeeld.:

Onder de avondmaan
zit hij tot zijn middel bloot,
de slak.

Shiki

Om die twee elementen goed uit te laten komen is de klassieke Japanse haiku in tweeën gedeeld door een z.g. snijwoord. Dergelijke snijwoorden kennen wij niet in de westerse talen. Een poging tot vertaling zou voor ons de interpunctie kunnen zijn, al moet gezegd worden,dat de gevoelswaarde van de Japanse snijwoorden hierdoor niet echt te vervangen is.
De spanning in een haiku ontstaat tussen die twee polen, de ene eeuwig, de ander tijdelijk. Daar ligt de speelruimte van de haiku. Opnieuw een voorbeeld:

Over de brug
gaan mensenhoofden;
de zomermaan.

Shiki

Je zou in dit vers de zomermaan kunnen zien als het steeds terugkerende element, en het passeren over de brug van de hoofden als het momentane.

Het eigenlijke onderwerp van de klassieke haiku is het zg. seizoenwoord. Het seizoenwoord is een woord dat duidelijk maakt in welk seizoen de schrijver zijn haiku heeft beleefd.Dat houdt niet in, dat je je beperkt tot de woorden “lente, zomer, herfst of winter”. Je weet ook dat het zomer is als er sprake is van b.v. meloenen, schaduwrijke bomen, vroege dageraad, muggen en vliegen. Japanse haikuschrijvers gebruiken zelfs lijsten van seizoenwoorden, een eeuwenoude traditie, en nog steeds in zwang. Een hedendaags voorbeeld:

De weg van de mieren
onder de schaduw van een boom
verdwenen.

Ryuu

Wat nu is de reden dat er met een seizoenwoord wordt gewerkt? Wel, wij aardbewoners bevinden ons in een zonnestelsel, waarin alle leven wordt gestuurd door de zon en de cyclus van de seizoenen. Hoe weinig er ook in onze verwende westerse wereld nog tot ons doordringt, we blijven daarvan afhankelijk. 7e, 17e of 21e eeuw, het feit ligt er.

Praktische bijkomstigheid voor het gebruik van een seizoenwoord is, dat het voor zo’n kort vers heel efficiënt is. Elk seizoen draagt n.l. zowel het blijvende als het voorbijgaande in zich. Ook is het handig dat de lezer direct in de sfeer van een bepaald seizoen wordt geplaatst, met al wat dit oproept aan universele, symbolische, en ook persoonlijke associaties. Dat bespaart een hoop uitleg. Shiki schreef b.v.:

De zomerrivier;
in het midden van de stroom
even omzien.

Wat meestal als kenmerk van de haiku wordt gezien, de verdeling over 3 regels van 17 lettergrepen, is bijzaak en berust zelfs op een misverstand. Het Japans kent n.l. geen lettergrepen zoals wij die hebben. De Japanse taal is samengesteld uit korte klankeenheden, z.g. moren. In het Japans heeft de verdeling in 5-7-5 moren zin: klank en ritme zijn nauw verbonden met wat de schrijver wil uitdrukken

Nederlandse lettergrepen zijn in de meeste gevallen langer en vooral gecompliceerder, want samengesteld uit meerdere klanken. Neem een woord als “herfst”, één lettergreep, maar hij duurt lang. In het Japans heeft “herfst” twee moren, aki – die misschien wel korter duren dan onze éénlettergrepige “herfst”. 17 Japanse moren vertalen in 17 Nederlandse lettergrepen kan een onnodig vol en zwaar vers opleveren. Dat is niet mooi, en bovendien in strijd met de geest van haiku: haiku is licht, en dus zo leeg mogelijk,

Merkwaardig is, dat vooral Nederlanders zo angstvallig vasthouden aan het 17-lettergreep-misverstand, In de Engelstalige landen is het beter begrepen.
Raadzaam is het te streven naar een korte eerste regel, een iets langere tweede, en een korte derde. Als het het vers ten goede komt is afwijking hiervan ook geen doodzonde.
Wel belangrijk is, dat de woorden is zo’n volgorde worden gezet dat de ploariteit van krachten waar ik het eerder over had, dat die polariteit wordt opgeroepen. Het is misschien daar waar die twee elkaar ontmoeten, dat de werkelijkheid die aan woorden voorbijgaat, kan worden gegrepen.

Dichterbij de westerse dichtkunst dan de haiku ligt de senryu. De senryu is een vers met dezelfde korte vorm als de haiku, maar in plaats van seizoenbeelden hebben ze de mens, of ook wel het dier, als onderwerp. Mens en dier worden met humor in hun eigenaardigheden beschreven. Ook hier blijft de schrijver-zelf op de achtergrond. Haiku noch senryu is zelfexpressie. Voorbeelden van senryu:

Pelgrims naar Ise,
en nog altijd kletsen ze
over hun kinderen.

De kat op het dak
zit rustig te luisteren
hoe zij hem uitscheldt.